Renée Verberne

CONTACT

Renée Verberne (1988)

Lives and works in Venlo, the Netherlands

reneeverberne@gmail.com

+31627121188

Kvk 58934812

ART CV (pdf)

Artist statement | Renée Verberne

De tragische conditie van de mens

In mijn werk speelt een verlangen naar ‘de wildernis’, naar ruimtes buiten de ‘beschaafde’ wereld - de oerplekken die veelal bestaan buiten ons hedendaagse blikveld - een grote rol. Ik zoek deze ‘wildernis’ in verloren tussenruimtes van onze beschaving. Ik verken deze voortdurend veranderende, verwonde en vergane plekken omdat ik mezelf herken in deze oorden: het lijkt of ik er mijn oorsprong ontmoet. De ruimtes zijn als weerspiegelingen van mijn binnenruimte, als vergeten herinneringen of scherven uit mijn eigen verleden. Door een plaats in te nemen binnen deze ruimtes, wil ik me ertoe verhouden en er een verbond mee aangaan. Ik onderga dan gemengde gevoelens: ‘één zijn’ en tegelijkertijd ook ‘vreemde zijn’; in het nu zijn, maar tevens de eeuwige tijdruimtezone voelen drukken; een tijdelijk Dasein, in een metafysisch geheel, maar eveneens falen hierin; ik ervaar dan een fysieke en mentale ongeaardheid en vervreemding.

Mijn onderzoeksgebied beslaat de relatie tussen mens, techniek en 'natuur' en vraagt naar de oorsprong van de menselijke conditie. Volgens de Franse filosoof Bernard Stiegler (1952) is deze menselijke conditie wezenlijk technisch van aard, waarbij hij stelt dat de techniciteit van de mens van prothetische aard is, dat wil zeggen: ter compensatie dient van het menselijke oorsprongsgebrek. Hij legt dit oorsprongsgebrek uit aan de hand van de Prometheus-mythe, de bekende oud-Griekse mythe die vertelt hoe de mens door een fout van de god Epimetheus - die de mens is ‘vergeten’ - als enige van alle wezens, zónder eigenschappen ter wereld komt. Zijn broer Prometheus ‘compenseert’ dit menselijke oorsprongsgebrek door het vuur (dat symbool staat voor de techniek) van de goden te stelen en dit aan de mens te geven. Zo komt de mens ter wereld via een ‘dubbele fout’: hij is ten eerste zónder eigenschappen, door een fout van de vergeetachtige titaan Epimetheus, en ten tweede is het vuur niet écht van hem: hij beschikt oneigenlijk over het vuur, dat oorspronkelijk niet van de mens, maar van de goden is.

Het vuur is aldus geen natuurlijke eigenschap van de mens, maar een oorspronkelijke prothese, die in tegenstelling tot natuurlijke eigenschappen iedere keer opnieuw geadopteerd moet worden; iedere techniek moet geïnterioriseerd of eigen gemaakt worden, om vervolgens weer op een inventieve, creatieve manier geëxterioriseerd te kunnen worden. Dit adoptieproces waarin de mens eindeloos is verwikkeld, noemt Stiegler het individuatieproces: het proces van individu-wording of zelfontplooiing van de mens. Het is namelijk door zijn gebrek aan oorsprong en de daarbij horende techniciteit, het lot van de mens om constant op weg te zijn richting zijn individu, om zichzelf steeds te moeten blijven uitvinden.

Het individuatieproces is asymptotisch; het neigt naar individu-wording, maar zal er nooit geraken. Het is een oneindig proces dat de mens altijd zal stuwen, maar dat nooit gecompleteerd kan worden, daar de mens gekenmerkt wordt door een oorspronkelijk, fundamenteel gebrek. De mens verlangt daardoor – tevergeefs – naar heelheid en het streven hiernaar is het individuatieproces, dat volgens Stiegler een co-evolutie is tussen het Ik, het Andere (de wereld waarin de mens leeft, ofwel zijn omgeving) en de technische attributen waarmee we ons gebrek proberen te compenseren. Het is een transductief proces: alle drie de ‘organen’ (Ik, het Andere en Techniek) constitueren elkaar in een onophoudelijk, maar nooit tot een einde komend, transformatieproces van individuatie.

Volgens Stiegler is het dus ons menselijk lot om onszelf via techniek constant opnieuw uit te moeten vinden. Met het vuur is aan de mens niet alleen een stukje goddelijkheid gegeven, maar kreeg ze ook haar sterfelijkheid. De mens heeft zich namelijk via haar co-evolutie met de techniek zodanig kunnen ontwikkelen dat het haar zijnswijze en bewustzijn heeft beïnvloedt, waarmee ze uiteindelijk een besef kreeg van haar sterfelijkheid. Met het vuur heeft de mens dus niet alleen een stukje goddelijkheid, maar ook (besef van) haar sterfelijkheid gekregen. In deze ambigue menselijke positie, schuilt ook haar tragiek.

Als kunstenaar zoek ik naar mijn oorsprong: het oorsprongsgebrek bezorgt mij een onophoudelijk verlangen naar heelheid. Ik probeer het te verzachten door ‘expedities’ te ondernemen naar bovengenoemde plekken, waar ik het probeer te sussen via rituele handelingen die dit gebrek compenseren. Het geeft tijdelijk rust, als ik mezelf een plaats geef in de wildernis, tussen de wezens die compleet zijn, en mijn ‘oorsprongswenen’ wordt weggedrukt door een overweldigende sfeer van saamhorigheid; alsof de plek en de aldaar residerende wezens mijn komst al lange tijd hadden voorzien en me hebben opgewacht.

____________________________

*In mijn huidige onderzoek maak ik gebruik van de media Verzameling, Video, Fotografie, Installatie, Interventie, Zwerftochten, Meditaties, Ceremonies, Rituelen, Kruiden, Ritmes, Dans, Actie, Filosofie, Taal, Natuurwetenschap, Techniek, Aardwetenschappen, Antropologie en de Kosmos.

http://www.reneeverberne.nl

ABOUT

Copyright © 2011 Renée Verberne. All Rights Reserved.